Home > Nieuwsberichten > Meer speelruimte voor kinderen

Het stadbestuur wil meer en beter speel- en verblijfsruimte voor de jeugd. Daarom is een nieuwe “nota speelruimte” opgesteld. Daarin is de “Jantje Beton norm” opgenomen.

Dat wil zeggen dat minimaal 3% van de de bebouwde oppervlakte word bestemd voor speel en verblijfruimten.

Het college wil ook mee speelruimte realiseren door medegebruik van bijvoorbeeld sportvelden en schoolpleinen.

De nota wordt na de zomer in de raadscommissie besproken.

 

Als basisrichtlijn geldt dat van alle beschikbare ruimte minimaal 300 m2 per hectare moet worden gereserveerd voor formele speelruimte, dus 3 procent. Afhankelijk van de bevolkingssamenstelling kan de gemeente bepalen of deze gereserveerde ruimte ook daadwerkelijk als speelruimte moet worden ingericht en zo ja, voor welke leeftijdscategorieën. Maar ook als deze ruimte niet direct als speelruimte nodig is, blijft de bestemming ‘speelruimte’ van kracht. Verder worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid, de loopafstand, speelfuncties, inrichting en veiligheid.

 

 

Deze norm komt overeen met de  beleidsbrief ‘Nader beleid buitenspeelruimte’ april 2006, kenmerk NIB 2005/217590.  daarin  beveelt het ministerie van VROM als richtgetal aan om 3 procent van het voor wonen bestemd gebied te bestemmen als speelruimte.

 

Een speelruimtebeleidsplan dat bestuurlijk is vastgesteld heeft een formele status. Als in dit plan een speelruimtenorm is opgenomen, dan kunnen burgers zich daar op beroepen. Bij nieuwbouw en herstructurering kan een speelruimtenorm maatgevend zijn voor het stedenbouwkundig ontwerp. In bestaande wijken kan een norm fungeren als ijkpunt en streefbeeld.

 

In dergelijke beleid  nemen veel gemeenten alleen de openbare ruimte mee, omdat er vaak te weinig garanties zijn voor een blijvende toegankelijkheid van privéruimte. Anderzijds is het evident dat de behoefte aan openbare speelruimte kleiner is, wanneer iedere woning in een wijk over een grote achtertuin beschikt.

 

Er valt wat voor de zeggen om in wijken met veel grootschalige openbare ruimte de nadruk te leggen op kwaliteit en sociale veiligheid, terwijl in dichtbevolkte wijken de kwantiteit de eerste eis is.

 

Belangrijk in een dergelijke nota is de vraag of de norm alleen gaat over kwantiteit sec of dat er ook differentiaties zijn opgenomen naar bijvoorbeeld leeftijden, spreiding, bereikbaarheid en/of speelkwaliteit.

 

Het gevaar van een norm is dat die een eigen leven gaat leiden. Kinderen en jongeren houden zich niet aan speelruimtenormen. Teveel aan de normen vasthouden, zonder te kijken naar de ruimtelijke en sociale kwaliteit van de openbare ruimte, het oordeel van de ouders over deze kwaliteit, het buitenspeel gedrag van de kinderen en jongeren kan leiden tot een speelsituatie die niet aansluit bij de behoefte. Met andere woorden: als aan een absolute norm wordt voldaan, is dat nog geen garantie voor een goed plan.

 

Tenslotte wil het college mee speelruimte realiseren door medegebruik van bijvoorbeeld sportvelden en schoolpleinen. De nota wordt na de zomer in de raadscommissie besproken.

 

Wij hopen echter dat deze nota een beter kader en borging in ander nota’s, visies en in de beleidsvoering in de toekomst zal hebben dan eerdere Nota’s inzake dit onderwerk waarbij zeer vaak de balans door is geslagen naar de behoefte aan nieuwbouw ten kosten van openbare- of speelruimte en/of begrotingen. Schoolpleinen zijn afgesloten om overlast en vandalisme tegen te gaan en sommige scholen in Noordwest zijn gesloopt en daarmee zijn ook de schoolpleinen verdwenen.